Hoofdstuk 6

‘Je bent lastig te vinden,’ zei Anna. Ze zaten met zijn tweeën in een kleine wachtruimte in de gang van het ziekenhuis. Net buiten de kamer van Johans moeder. Vijf minuten geleden was Anna voetje voor voetje kamer 0.14 binnen geschoven en Johan had haar voorgesteld aan zijn moeder. ‘Gaan jullie maar even met z’n tweetjes kletsen, dan rust ik nog even wat uit,’ had ze gezegd.
‘Hoe bedoel je, lastig te vinden?’ vroeg Johan nu ze alleen waren.
‘Nou, na Engels moest ik eerst zien te achterhalen wat er gebeurd was. Ten Berg wilde niets zeggen. Toen botste ik bijna tegen Van Wegen op in de gang. Hij vertelde helemaal trots dat ‘ie jou zo goed naar je moeder in het ziekenhuis had gebracht. Toen ben ik snel op de fiets gestapt.’ Ze praatte snel en moest even naar adem happen. ‘Eenmaal hier viel het nog niet mee. Ze hadden geen patiënten op jouw achternaam en ik kende je moeders naam niet. Uiteindelijk kreeg die vrouw achter de balie medelijden ofzo en vroeg me of ik een adres wist. Dat werkte blijkbaar ook, want ze stuurde me naar 0.14.’
Johan keek haar aan, terwijl ze opnieuw naar adem hapte.
‘En nu ben ik hier dus…’ besloot ze.
‘Ja, nu ben je hier…’ zei Johan terwijl hij erover nadacht. ‘Waarom ben je hier eigenlijk?’ vroeg hij.
‘Gewoon. Ik wilde weten of alles goed was. ’t Was zo raar op school dat je ineens eruit werd gehaald. Iedereen had het erover na afloop. Toen ik dus hoorde dat je moeder in het ziekenhuis lag, wilde ik er naar toe.’
Johan durfde niet te vragen wat hij eigenlijk wilde vragen. Waarom wilde je er naar toe dan? Zeg dan gewoon wat je voelt!
‘Het is niet zo ernstig hoor,’ zei hij zachtjes. ‘Morgen mag ze naar huis.’
‘Wat is het dan precies?’
‘De dokter zegt iets van oververmoeidheid ofzo, uitgeput. Ik weet niet precies, maar ze werkte te hard en had te veel aan haar hoofd. Het lichaam zei gewoon stop.’
Ze zaten even in stilte en staarden allebei naar de grond. Een vrouw van minstens zeventig kwam bij hen in de wachtruimte zitten en pakte een tijdschrift tevoorschijn uit haar tas.
‘Zullen we terug naar m’n moeder?’ vroeg Johan.
‘Is goed.’
Ze liepen terug naar de kamer. Johan klopte zachtjes op de deur. Geen antwoord. Voorzichtig opende hij de deur en stak zijn hoofd naar binnen. Ze sliep.
‘Laat ‘r maar slapen,’ zei Johan nadat hij de deur weer zachtjes had dichtgedaan. ‘Het is bijna zes uur, ik krijg honger. Wil je kijken of we in het ziekenhuis iets te eten kunnen vinden?’
‘Ehm, ik moet eigenlijk zo naar huis,’ antwoordde Anna.
‘Och ja, natuurlijk. Stom van me.’ Johan wilde niet laten merken hoe vervelend hij het vond dat Anna weer weg moest gaan. Toen Van Wegen vanmiddag vertrokken was, voelde Johan zich opgelucht om alleen te zijn. Maar dit was heel anders. Sinds een paar dagen had hij veel met Anna meegemaakt en nu wilde hij niet dat ze ging. Hij durfde het alleen niet te zeggen. Ondanks dat hij al achttien was, had Johan nog nooit een vriendinnetje gehad.
‘Sorry…’ Anna onderbrak zijn gedachten. ‘Ik kan niet anders, ik had al beloofd te koken vanavond. Anders…’ Ze maakte haar zin niet af. Ze keek Johan aan.
‘Nee tuurlijk, begrijp ik. Ik vind zelf wel wat,’ hij staarde terug in die prachtige groene ogen. Hij kon zich niet langer inhouden. Langzaam ging hij met zijn mond richting de hare. Ze sloot haar ogen en hij voelde hun lippen tegen elkaar komen. Instinctief ging zijn tong op onderzoek uit. Hij drukte haar lichaam met zijn handen stevig tegen hem aan. Tien eindeloze seconden later kwamen hun hoofden weer van elkaar en ze openden allebei hun ogen die knipperden vanwege het felle TL-licht in de ziekenhuisgang. Anna verbrak als eerst de stilte. ‘Ik moet gaan.’ Johan besefte ineens dat hij haar nog altijd met zijn armen vasthield. ‘Ehm…ja…’ was alles wat hij zei terwijl hij haar losliet.
‘Ik, eh, spreek je nog,’ zei ze en liep de gang uit. Ze keek niet meer om. Johan stond helemaal alleen in de gang en staarde voor zich uit. Heel zachtjes begon zijn maag te knorren.
Het ziekenhuiswinkeltje verkocht snoepgoed en fruit. Johans avondeten bestond uit twee chocoladerepen, een rol koekjes en een banaan. Hij zat nu weer in de wachtruimte vlakbij 0.14. Anna was nu al bijna een uur geleden vertrokken, maar Johan had aan niets anders gedacht. Hij nam nog een koekje en sloot zijn ogen. Hij probeerde de kus weer voor zich te halen. Zijn gedachten maakten overuren. Hij had meer vragen dan antwoorden.
‘Johan?’
Het was een stem die hij uit duizenden zou herkennen.
‘Pap!’ Johan sprong op en omhelsde zijn vader. Weg was de woede die hij een aantal dagen geleden had. Johan was moe van alles en had geen energie meer om boos te zijn. Hij was blij dat hij zijn vader weer zag. Hij was blij dat zijn vader hier in het ziekenhuis was. Johan had moeite om los te laten.
‘Is Simone…?’ vroeg hij nauwelijks verstaanbaar doordat zijn mond in zijn vaders schouder was begraven.
‘Thuis,’ zei zijn vader. Johan liet los.
‘Hoe is het met je? Hoe is het met mama?’
‘Ze slaapt,’ antwoordde Johan die de eerste vraag negeerde omdat hij niet goed wist hoe het met hem ging.
‘Okee, zullen we dan even hier gaan zitten?’ stelde zijn vader voor. Ze namen plaats tegenover elkaar. De wachtruimte was verder helemaal leeg. Ze waren de enigen die zich niets aantrokken van bezoekuren. Het was doodstil in de wachtruimte en de gang. Er liep niemand voorbij, zelfs geen personeel.
Johan wist niet zo goed hoe hij moest beginnen, dus wachtte hij maar totdat zijn vader de stilte zou verbreken.
‘Enig idee wanneer ze wakker wordt?’ vroeg zijn vader.
‘Nee.’
Stilte.
‘Hoe gaan je examens?’
‘Kan beter. Niet zo goed eigenlijk.’ Johan vertelde zijn vader wat hij had meegemaakt de afgelopen week. Hij vertelde over de ontmoeting met Simone, over het gesprek met mevrouw Kopij, over zijn examens wiskunde, scheikunde en Engels. Johan praatte aan één stuk door, opgelucht dat hij nu zijn hart kon luchten. Maar tegelijkertijd verzweeg hij alles wat met Anna te maken had. Dat hoefde zijn vader nog niet te weten.
Johan besloot zijn verhaal door de bijna lege koekjesrol te tonen als bewijs van zijn karige avondmaal.
‘Je kunt binnenkort wel bij mij komen eten. Dan krijg je tenminste een fatsoenlijke maaltijd binnen,’ zei zijn vader.
‘Chinees zeker…’
‘Nee, geen Chinees. Simone kookt.’
Johan klapte even dicht. Zijn vader was nu wel hier om zijn moeder te bezoeken, maar hij was nog altijd verloofd met Simone. Daar zou niemand iets aan kunnen veranderen. De realiteit kwam langzaam weer Johans hoofd binnen sijpelen.
‘Ja, is goed.’ Het kwam lang niet zo enthousiast over als Johan gehoopt had. Zijn vader merkte dit feilloos op. Hij ging naast zijn zoon zitten en legde zijn arm om hem heen.
‘Hee, jongen…’, begon hij, maar hij kreeg geen kans om zijn zin af te maken.
‘Wat doet u hier nu nog?’ klonk het ineens vanuit de gang. Zowel Johan als zijn vader richtten hun hoofd op en keken een beetje verbaasd recht in de oude ogen van een verpleegster.
‘U moet allang naar huis hoor, het bezoekuur is voorbij. Morgen kunt u terugkomen.’
Er was geen ruimte voor discussie. De oude verpleegster bleef staan waar ze stond en keek neerbuigend op de twee bezoekers neer. Ze stonden op en liepen langs haar heen de gang uit, richting de uitgang.
‘Pap…?’
‘Zeg het eens.’
‘Mag ik vannacht bij jou slapen?’
‘Altijd, dat weet je.’
‘Het zal nooit meer zijn zoals vroeger, of wel?’
In stilte liepen ze naar de auto en ook tijdens de rit werd er geen woord gesproken. Pas vlak voordat Johan ging slapen, zei hij weer wat: ‘Bedankt pap, welterusten.’

Om negen uur ontwaakte Johan uit zijn onrustige slaap. Veel te vroeg voor een zaterdagochtend. Hij tuurde naar het plafond. Hij dacht terug aan de vorige keer dat hij hier had geslapen. Toen was alles anders. Zouden zijn vader en Simone al wakker zijn? Hij sloeg het dekbed weg en liep op blote voeten naar de deur die hij voorzichtig openmaakte. Hun deur was gesloten. Beneden was niets te horen. Wat ga je doen Johan? dacht hij bij zichzelf. Kop of munt, blijven of weggaan? Als ik blijf, doe ik dat uit beleefdheid. Als ik wegga, doe ik dat omdat ik dat liever wil. Klaar, dat is m’n antwoord.
Johan kleedde zich snel aan, liep zachtjes naar beneden en opende de voordeur.
‘Ga je nu al?’ klonk een stem achter hem. Johan keek om en zag zijn vader aan de andere kant van de gang onderaan de trap staan. Hij stond nog in zijn badjas. Voordat Johan antwoord kon geven, hoorden ze boven het toilet doorgetrokken worden. Johan wierp een blik omhoog en keek vervolgens zijn vader aan.
‘Sorry,’ zei hij overdreven duidelijk zonder geluid te maken. Hij verdween door de voordeur terwijl Simone de trap af kwam lopen.
‘Wie was dat?’ vroeg ze aan Richard.
‘De buurman. Krant was weer eens verkeerd bezorgd.’

Met grote snelle passen liep Johan over straat. Hij nam bewust niet de bus naar huis, want hij wilde even alleen zijn. Ondertussen maakte hij plannen in zijn hoofd. Eerst douchen en ontbijten, dan kijken of Thijs en Dennis al wakker zijn. Hij moest iemand vertellen wat er gister met Anna in het ziekenhuis is gebeurd. En hij moest natuurlijk ook zijn moeder ophalen uit het ziekenhuis vanmiddag. Eerst maar even bellen hoe laat hij zou langskomen.

‘WAT?’ Echt waar?’ Dennis klonk vol ongeloof.
‘In het ziekenhuis?’ Ook Thijs was verbaasd. ‘Terwijl je moeder lag te slapen?’
‘Jaha, maar op de gang.’ Johan moest alles twee keer uitleggen voordat ze het begrepen, maar stiekem vond hij het toch wel stoer om ze over zijn kus met Anna te vertellen. Ze stonden met zijn drietjes buiten in het park. De zon scheen niet, maar het was wel warm.
‘En?’ Thijs en Dennis keken hem hoopvol aan.
‘En wat?’ vroeg Johan
‘En hoe was het, dombo. Kon ze het een beetje?’
Johan wist niet zo goed hoe hij hier op moest antwoorden. Hij had geen vergelijkingsmateriaal. Hij had er niet eens over nagedacht of Anna goed of slecht kon zoenen, hij had het alleen maar erg lekker gevonden.
‘Erg goed, gelukkig wel,’ antwoordde Johan. ‘Alleen…’
‘Alleen wat?’
‘Ze moest meteen daarna naar huis, alsof ze niet snel genoeg weg kon komen.’
‘Wijven…’ zei Thijs meer richting Dennis dan aan Johan. Het gesprek sloeg over op ex-vriendinnetjes van Thijs en Dennis en Johans gedachten dwaalden af. De wolken pakten zich samen en de lucht betrok langzaam.
‘Ik moet gaan, m’n moeder ophalen,’ zei hij ineens terwijl Thijs en Dennis lachten om een grapje over ene Jacqueline. Johan wachtte niet eens op antwoord en liep richting de bushalte. Nog even draaide hij zich om.
‘Ik spreek jullie later wel!’
‘Is goed, later!’ riep Thijs terug. Direct wendde hij zich weer tot Dennis en schoot in de lach toen die Jacqueline nadeed. Johan zag het allemaal niet meer, hij wilde plotseling gewoon weg. Hij had het zich anders voorgesteld om het hun te vertellen. Welke reactie hij had verwacht, wist hij niet, maar niet zo. Anna was toch niet zo’n ‘wijf’ waar zij het over hadden? Of toch wel? Wat wist hij nu eigenlijk van haar? Het stemde hem ineens ongelukkig. Hij voelde een regendruppel op zijn voorhoofd vallen vlak voordat hij het bushokje instapte.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten