Hoofdstuk 5

Om kwart over twaalf klopte Johan aan bij de docentenkamer. Hij opende de deur en zette twee passen naar binnen. Tessa Kopij zag hem staan en liep naar hem toe.
‘Johan, daar ben je eindelijk. Kom!’ Ze pakte zijn arm en nam hem mee de gang in. Ze liepen naar hetzelfde lokaal als waar ze een dag eerder naartoe waren gevlucht en gingen naar binnen.
‘Hoe is het met je, Johan?’ vroeg ze oprecht.
‘Wel goed denk ik. Ik weet het eigenlijk niet. Er gebeurt nogal veel de laatste weken.’
‘Wil je erover praten?’ Ze was op een tafeltje gaan zitten. Ze had psychologie moeten studeren, dacht Johan bij zichzelf.
‘Het is een beetje rommelig thuis op dit moment,’ begon hij. ‘Mijn vader gaat hertrouwen, mijn moeder werkt lange dagen en mijn examens gaan niet al te best tot nu toe.’ Hij wachtte op een antwoord van haar, maar dat bleef uit.
‘Wat kun je me vertellen over mijn examen Nederlands?’ vroeg hij nadat hij tegenover haar was gaan zitten.
‘Niet veel, dat mag eigenlijk pas over drie weken.’
‘Waarom begon je er dan over gister?’
Ze keek even weg, zoekend naar woorden. Ze haalde een hand door haar lange zwarte haar heen. Een klein glimlachje verscheen heel kort op haar lippen. ‘Weet je dat het heel moeilijk kan zijn om lerares te zijn op een middelbare school?’ Ze wachtte niet op een antwoord van hem. ‘Vooral zo’n eerste jaar is heel erg wennen, alles is nieuw.’ Ze was even stil voor een paar seconden om haar woorden kracht bij te zetten. Plotseling keek ze Johan aan. ‘Ik mag je, Johan. Je bent een goede jongen.’ Hij keek heel even in haar ogen, maar wendde zijn blik snel af.
‘Maak je niet te druk over je samenvatting. Zo rampzalig is het nu ook weer niet. Bovendien, je cijfers hiervoor zijn hartstikke goed.’ Ze nam een korte pauze. ‘Is er nog iets wat je me wil vertellen?’ vroeg ze ineens.
‘Ehm, ik zou het niet weten,’ en hij stond weer op. ‘Ik moet zo gaan, Engels begint zo.’
‘Weet je Johan,’ zei ze met veel gevoel. ‘Niet lang geleden zat ik zelf nog in het examenjaar. Ik weet nog goed hoe het is. Destijds zat er een jongen bij me in de klas die ik wel leuk vond, maar mijn vriendin vond ‘m een eikel. Ik durfde daardoor niets te doen en na de examens heb ik hem nooit meer gezien. Die vriendin verdween na de zomer naar Groningen. Ook haar heb ik nooit meer gesproken sindsdien.’ Ze hield even op met praten. Johan staarde haar aan.
‘Wat ik wil zeggen is,’ ging ze verder, ‘dat de dingen niet altijd zijn wat ze lijken. Je moet niet te snel oordelen.’ Ze stond op van het tafeltje en liep naar hem toe. Ze legde een hand op zijn schouder. ‘Geef haar wat tijd,’ zei ze en liep langs hem de deur uit. Johan stond nog altijd stil in het lege klaslokaal. ‘Ze had serieus psychologie moeten studeren,’ zei hij zachtjes tegen zichzelf. Hij keek op zijn horloge. Bijna tijd voor Engels.

Johan liep de zaal in en keek in de richting van Anna’s plek. Hij was nog leeg. Irene zat al wel op haar plaats erachter en keek verveeld voor haar uit terwijl ze zat te friemelen aan haar armbandjes. Johan installeerde zich achter zijn tafeltje. Hij zag Anna haastig binnen komen hollen vlak voordat de deuren definitief gesloten werden. Vier leerkrachten deelden alle papieren uit. Het examen was begonnen.

‘Waar zit ‘ie?’ vroeg een man in een driedelig pak aan één van de leerkrachten achter de inlevertafel. De leerkracht wees een rij aan met zijn hand en fluisterde: ‘Derde van achter, met dat blauwe shirt aan.’ De man in pak mompelde bedankt en liep bijna geruisloos de aangewezen rij in. Hij stopte bij het derde tafeltje van achteren. Johan keek omhoog en keek recht in het gezicht van de schoolcoördinator.
‘Johan?’ vroeg hij.
‘Ja?’ fluisterde hij vragend terug.
‘Kun je meekomen? Nu.’
Het was geen vraag, eerder een gebod. Johan keek even verbaasd om zich heen.
‘Nu?’
‘Ja, het is belangrijk. Maak je geen zorgen om je examen, dat is geregeld.’ Hij keek Johan indringend aan. Johan pakte zijn papieren op en liep zachtjes achter de coördinator aan naar de deur. Hij voelde iedereen naar hem kijken. Hij keek vluchtig om en keek recht in de vragende groene ogen van Anna. Johan haalde zijn schouders op en gaf een blik van complete onwetendheid met zijn ogen. Bij de inlevertafel gaf hij zijn papieren af.
‘Ik ben pas net over de helft,’ zei hij zacht.
‘Ik begreep van meneer Ten Berg dat alles geregeld is,’ was het antwoord. Johan volgde de coördinator de zaal uit. Hij durfde niets te zeggen. Ze liepen de hele school door totdat ze bij een klein kantoortje waren aangekomen. W. ten Berg, coördinator HAVO stond op de deur. Eenmaal binnen kwam Ten Berg snel ter zake.
‘We zijn net gebeld, nog geen tien minuten geleden. Het is je moeder, Johan. Ze ligt in het ziekenhuis.’
Johan keek hem verbijsterd aan. Ten Berg ging verder.
‘Blijkbaar was ze op haar werk ineens zomaar in elkaar gezakt. Ze is meteen per ambulance over gebracht naar de EHBO. Voor zover ik begrepen heb, is ze buiten levensgevaar.’ Hij hield even een korte pauze want hij begreep dat het allemaal te snel ging om te kunnen bevatten. Johan stond aan de grond genageld.
‘De reden dat ik je nu uit je examen sleur, is zodat je nu direct naar het ziekenhuis kunt gaan. Ik heb kort overlegd met je docent Engels en hij verzekerde me dat het geen problemen gaat opleveren.’ Hij hield op met praten. Johan realiseerde zich ineens dat hij als een standbeeld stond.
‘Ehm,’ begon hij voorzichtig. ‘En nu? Kan ik nu dus zomaar naar het ziekenhuis?’
‘Ja.’
‘Hoe?’
‘We hebben een leerkracht bereid gevonden om je te brengen. Die wacht beneden op je. Hoe eerder je gaat, hoe eerder je in het ziekenhuis bij je moeder bent.’
Johan draaide zich om en opende de deur. Nog even draaide hij zijn hoofd terug.
‘Welke leerkracht?’ vroeg hij.
‘Van Wegen.’ antwoordde Ten Berg kort. ‘Oh en Johan,’ voegde hij eraan toe, ‘sterkte.’

Van Wegen liep een beetje ongeduldig heen en weer totdat hij plotseling Johan zag aan komen lopen. ‘Johan, jongen, hoe is het met je?’ vroeg hij bezorgd. Johan staarde naar het dikke kale hoofd van Van Wegen. Er zaten flinke zweetplekken onder zijn oksels die duidelijk zichtbaar waren op het te strakke blauwe overhemd. Van Wegen wachtte niet op antwoord.
‘Kom, laten we snel gaan, m’n auto staat hier al voor de uitgang.’ Van Wegen pakte Johans hand beet en sleurde hem zowat mee naar buiten. De rit naar het ziekenhuis duurde nog geen tien minuten maar het voelde al een eeuwigheid voor Johan. Van Wegen reed zo snel als hij kon, wat helemaal niet zo snel was, en vroeg voortdurend hoe het met Johan was. Het stonk in de kleine Opel Kadet naar sigaretten en Johan wilde niets liever dan uitstappen en naar het ziekenhuis rennen. Eindelijk kwamen ze dan toch aan en Johan gooide zijn deur open, snakte naar frisse lucht en snelde toen het ziekenhuis in. Het duurde niet lang voordat hij de EHBO-balie had gevonden. Hij wilde net informeren naar zijn moeder toen Van Wegen eraan kwam gesjokt. Zweet droop van zijn hele gezicht af, het was verschrikkelijk om te zien.
‘Kunt u me zeggen waar mevrouw Lelie ligt?’ vroeg Johan aan de baliemedewerkster. Zij typte het een en ander in op haar computer.
‘Ze ligt in kamer 0.14, maar de arts heeft gezegd dat ze niemand mag zien.’
‘Ik ben haar zoon.’
‘Het spijt me, dr. Goossens was heel nadrukkelijk wat dat betreft. U kunt wel vlakbij wachten en ik zal aan de dokter doorgeven dat u er bent.’ Ze begon uit te leggen hoe je het snelste bij kamer 0.14 kon komen maar Johan hoorde het niet meer. Hij liep al weg en keek op de bordjes aan het plafond waar hij moest zijn. Van Wegen pufte erachteraan. Johan had het al snel gevonden, en wilde net de deur openen toen Van Wegen hem tegenhield.
‘Zou je dat nou wel doen, Johan? De dokter zei dat niemand haar mocht zien.’ Zijn vettige hand hield Johans pols beet, maar hij trok hem gauw los.
‘Het is mijn moeder, ik ga naar binnen,’ zei hij geïrriteerd en hij opende de deur. De kamer was klein en vierkant. De muren en het plafond waren wit. De TL-verlichting gaf het een klinische sfeer. In het midden van de kamer stond een bed waarin zijn moeder roerloos lag. Er liepen allemaal slangetjes van haar armen naar apparatuur dat achter het bed stond. Voetje voor voetje liep Johan naar binnen. Wat leek ze klein zo.
‘Ze slaapt.’ Klonk het ineens vanachter hem. Johan draaide zich om en keek in het vriendelijke gezicht van dr. Goossens. ‘Ik heb haar net een half uur geleden wat gegeven om te slapen. Rust is alles wat ze nodig heeft.’ Johan keek heen en weer tussen de dokter en zijn moeder.
‘Kom,’ zei dr. Goossens, ‘laten we ergens praten waar we haar niet storen.’

‘Wat heeft ze?’ vroeg Johan toen ze in een klein kamertje waren gaan zitten. Van Wegen zat op de gang te wachten.
‘Uitputting,’ zei dr. Goossens. ‘Ze werkte te lang zonder pauzes te nemen. Het lichaam heeft uiteindelijk zelf actie ondernomen om schade te voorkomen. Ik denk dat ze de laatste tijd weinig slaap heeft gehad en fysiek te veel inspanning. Dat is geen goede combinatie. Zeker met het warme weer van vandaag.’
‘En nu?’ Johan was eigenlijk wel opgelucht dat het niets echt ernstigs was. Op school had zijn coördinator hem flink laten schrikken.
‘Rust houden, goede voeding binnenkrijgen en veel slapen. Ik denk dat we haar hier vannacht nog houden, maar morgen mag ze weer naar huis. Ik geef haar slaappillen mee en een advies om op haar werk het een en ander aan te passen. Nu viel het nog mee, maar een tweede aanval in korte tijd kan heel schadelijk zijn voor het lichaam.’
Johan liet alle informatie goed bezinken. Hij had het de laatste dagen zo druk gehad met zijn eigen ellende dat hij niet gezien had hoe slecht het ging met zijn moeder. Was hij maar wat oplettender geweest!
‘Je kunt over een uurtje wel bij haar naar binnen, maar ik zal haar nu nog even lekker laten slapen,’ zei dr. Goossens en stak een hand uit. ‘Ik moet nu echt naar andere patiënten toe. Sterkte Johan.’ Hun wegen scheidden bij de deur. Dr. Goossens liep een gang in, Johan liep richting Van Wegen die ongemakkelijk op een stoel een tijdschrift zat te lezen.
‘Dank u meneer, dat u me zo snel hebt gebracht. Ik blijf hier voorlopig. Over een uurtje kan ik bij haar zijn.’ Johan zei het op een manier waarvan hij hoopte dat Van Wegen de hint zou oppakken en weer weg zou gaan.
‘Wil je dat ik blijf?’
‘U kunt hier eigenlijk niets doen, ik red me wel. Ik denk dat ze u op school ook hard nodig hebben.’
Van Wegen stond op en wenste Johan alle sterkte toe die hij maar nodig had. Hij mocht hem altijd bellen. Johan was opgelucht toen hij eindelijk alleen in de wachtruimte zat.

‘Mam, hoe voel je je?’ vroeg Johan toen ze eindelijk wakker was. Het was anderhalf uur nadat hij dr. Goossens had gesproken. Hij had gedoold door het ziekenhuis om de tijd te doden.
‘Ja, gaat wel. Beetje duf. Behoorlijk duf.’ Haar stem klonk zwaar en vermoeid.
‘De dokter zegt dat je morgen weer naar huis mag.’
‘Ik weet het,’ zei ze, ‘ik ben blij dat je er bent.’
‘Ik ben uit mijn examen gesleurd hiervoor. Door de coördinator. Hij zegt dat het geen problemen oplevert voor Engels.’
Er werd op de deur geklopt en hij ging langzaam open. Een beetje schuchter stond Anna in de deuropening.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten