Hoofdstuk 1

Wat leek alles toch klein vanaf hier. Een jonge moeder liep met een kinderwagen over een zebrapad, een ouder echtpaar zat op een bankje omringd door eenden die hongerig hapten naar de broodzak, een glazenwasser balanceerde op zijn ladder tegen het flatgebouw aan de overkant en een man zocht naar zijn sleutels terwijl hij naast een donkergroene auto stond.
Johan keek op zijn horloge zag dat het bijna vier uur was. Hij was alweer bijna een uur thuis en nog steeds niets gedaan. Plots zag hij een vrouw vluchtig de straat oversteken. Ze had lang zwart haar net als mevrouw Kopij. Gek eigenlijk dat hij haar mevrouw noemde, ze was maar zes jaar ouder dan hij. Maar het was nu eenmaal een regel op school om de leerkrachten met meneer en mevrouw aan te spreken. Johan draaide zich om naar binnen. De balkondeur liet hij open staan, het was niet koud buiten.

Hij pakte zijn geschiedenisboeken en ging op bed liggen. Het werd nu toch echt tijd om te gaan leren; nog maar een week tot de eindexamens. Maar hij kon zich absoluut niet concentreren. Er spookte zoveel door zijn hoofd. Zijn rijles van een uur geleden ging dramatisch slecht. Zijn instructeur deed de hele tijd niets anders dan schreeuwen en klagen. Johan had bijna een fietser aangereden die volgens hem vanuit het niets opdook. Hij was er met zijn hoofd niet bij. Hij had zaterdagmiddag gehoord dat het zijn laatste werkdag was geweest in de winkel. Ze gingen bezuinigen op personeel en blijkbaar kostte hij te veel.
En dan was er nog mevrouw Kopij. Hij kon haar maar niet uit zijn hoofd krijgen. Hoe kan een lerares toch zo mooi en zo lief zijn? Ze was nieuw dit jaar, pas afgestudeerd. De eerste keer dat Johan bij haar de klas inliep, dacht hij dat ze een stagiaire was. Ze zag er niet ouder uit dan twintig met gitzwart haar dat los over haar schouders viel, felblauwe ogen en een betoverende glimlach.
Tessa Kopij schreef ze op het bord toen de hele klas binnen was. Ze vertelde kort iets over zichzelf. Ze was drieëntwintig, woonde sinds kort zelfstandig hier in de stad en was net vorige zomer klaar met haar studie Nederlands. Toen mevrouw Kopij aan de klas vroeg of er nog vragen waren, stelde Martin de vraag die Johan niet durfde te stellen: of ze nog vrijgezel was. De klas gniffelde. Het kon Johan niet ontgaan dat ze heel licht bloosde terwijl ze Martins vraag bevestigend beantwoordde.

Nu, bijna negen maanden later, lag Johan op bed met zijn geschiedenisboeken nog altijd dichtgeslagen voor hem. Dit jaar was de Tweede Wereldoorlog het hoofdonderwerp van het examen. Vlak boven zijn bed had Johan een zelfgemaakt schema hangen met daarop al zijn vakken en de examendata. Vorig jaar was hij gezakt op scheikunde en wiskunde en hij zag dat uitgerekend die twee vakken dit jaar op dezelfde dag waren gepland. Het zal allemaal wel goed komen dacht hij. Immers, zijn cijfers waren tot nu toe veel beter dan vorig jaar. Zijn moeder wilde eerst niet dat hij meteen na zijn verjaardag met rijlessen zou beginnen, liever pas in de zomervakantie. Echter, na lang aandringen en een goed laatste tussenrapport was ze overstag gegaan. Op school maakte het veel indruk, want hij was de enige die al oud genoeg was om auto te rijden. Doordat hij altijd al een late leerling was geweest en ook nog eens was gezakt vorig jaar, was hij nu de enige achttienjarige in 5 HAVO.

Johan keek weer op zijn horloge. Net iets na vijven. Hij had een uur op bed liggen dagdromen. Hij stond op en besloot een frisse neus te halen. Het zou nog een uur duren voordat zijn moeder thuis zou komen van haar werk. Hij sloot de balkondeur, pakte zijn jas en trok de voordeur achter zich dicht. Precies 72 treden omlaag, dat had hij als klein jongetje lang geleden trots geteld en nooit meer vergeten. Eenmaal buiten aanbeland, liep hij richting het park. Vrijwel altijd zaten daar zijn vrienden. Zij waren vorig jaar wel geslaagd en deden nu een HBO studie, maar dat weerhield hen er niet van om ’s middags in het park te hangen, net als toen ze nog met zijn allen op de middelbare school zaten. De groep was wel wat uitgedund: Peter was in Amsterdam gaan studeren en had daar ook een kamer gevonden. Rik was naar Arnhem verhuisd. Vanaf een afstandje zag Johan nu Thijs en Dennis staan.
‘Hee Johan, hoe gaat het met leren?’ riep Thijs zodra hij Johan zag naderen.
‘Ach, gewoon, je kent het wel,’ antwoordde hij.
‘Wanneer heb je je eerste examen nou?’ vroeg Dennis.
‘Volgende week maandag begin ik met geschiedenis,’ zei Johan. Ze gingen alle drie onder een hoge boom in het gras zitten en kletsten een beetje om maar niet aan belangrijke dingen te hoeven denken. Pas toen Johan het autootje van zijn moeder voorbij zag rijden, stond hij op en rende richting hun flatgebouw. De jongens zou hij later deze week wel weer spreken, hij had beloofd om zijn moeder vanavond te helpen met koken.

De week vloog voorbij, zoals dat altijd gaat als je eigenlijk wilt dat de tijd stilstaat. En zo was het zondagavond, nog maar een paar uur voordat Johan zijn geschiedenisexamen had. De telefoon ging, Johan keek op de nummermelder. Het was zijn vader.
‘Hee pa, hoe is het?’ vroeg hij optimistisch.
‘Hoi jongen, goed hoor. Met jou? Klaar voor morgen?’’
Zijn stem klonk zwaar, anders dan anders vond Johan.
‘Ja, morgen geschiedenis hè. Dat gaat wel lukken.’
‘Dat moet wel goed komen hoor jongen. Zeg, waar ik eigenlijk voor bel… Is je moeder ook thuis?’ Er was iets aan de hand, Johan voelde het door de telefoonlijn heen.
‘Ja, ze zit op de bank tv te kijken, ik roep d’r even…’
Johan legde de hoorn neer en liep naar de woonkamer. ‘Mam, ’t is pa aan de lijn, voor jou,’ zei Johan en hij ging terug naar zijn kamer. Hij liet de deur op een kiertje staan zodat hij kon mee luisteren. De laatste keer dat hij dat deed, leek zo lang geleden.

Zijn ouders waren nu vijf jaar gescheiden. Hij weet nog goed dat de bom barstte toen zijn vader weer eens veel te laat van zijn werk thuiskwam. Zijn pa moest de laatste maanden veel overwerken en regelmatig een lang weekend op zakenreis. Johans moeder vertrouwde hem niet meer. Misschien had ze dat nooit gedaan. Dit keer kon ze hem niet meer vergeven. Het was de sterfdag van haar moeder, oma Bettie, die een jaar geleden aan kanker was overleden. Zijn vader had beloofd om vroeg thuis te zijn, maar faalde opnieuw. Pas tegen middernacht kwam hij thuis.
Terwijl zijn ouders in de keuken tegen elkaar schreeuwden, zat Johan op zijn kamer met de deur op een kier. Anderhalf uur later hoorde hij zijn vader de voordeur hard achter zich dichtsmijten. Vanaf die dag leefde Johan alleen in huis met zijn moeder. Zijn vader ging vlak buiten de stad wonen. In het begin zag hij hem amper, maar na zes maanden zocht Johan zelf contact. Eén keer per week ging hij bij zijn vader eten, standaard Chinees want koken ging zijn vader nooit goed af. Johan vroeg hem vaak of het nog goed kon komen met mama, maar dat zat er niet meer in volgens zijn pa. ‘Er brak die avond heel wat meer dan servies, jongen. Ook dingen die niet zo makkelijk gelijmd kunnen worden. Nee, wat gebeurd is, was niet te voorkomen. Het is niet mijn schuld, maar ook niet van je moeder. Niets is makkelijker in het leven om de verantwoordelijkheid af te schuiven op iemand anders. Dat geldt voor alles. Doe dat dus niet Johan, beloof me dat.’ En Johan beloofde het, ook al wist hij niet precies waar zijn vader het over had.

Waarom praatte zijn moeder nu zo zacht over de telefoon, hij kon het amper verstaan. Slechts enkele woorden kon hij opmaken. ‘Hoelang…wanneer…ik eh…nee, Johan ook…’ Ze hing op en liep zachtjes terug naar de woonkamer. Johan wachtte op het geluid van de tv, maar dat kwam niet. Voorzichtig duwde hij zijn deur verder open en liep zachtjes richting de woonkamer. Zijn moeder zat met natte wangen en handen over haar ogen te bibberen op de bank. Ze moet hem gehoord hebben want ze veegde haar wangen snel droog en keek met rode ogen naar Johan. Ze glimlachte, maar haar ogen verraadden haar verdriet.
‘Wat is er? Iets met pa?’ vroeg Johan terwijl hij naast haar ging zitten.
‘Nee…ja…het eh…,’ ze zocht naar woorden. Ze haalde diep adem. ‘Richard gaat trouwen,’ zei ze. Het klonk minder dapper dan ze gehoopt had.
Johan wist niets te zeggen. Trouwen? Pa? Met wie dan? Hoezo dan? Zoveel vragen schoten door zijn hoofd. Nog nooit had hij zijn vader horen praten over een vriendin, nooit iets gemerkt. Hoe kan hij nu gaan trouwen? Ongeloof sloeg om in boosheid. En mama dan? Hij had haar nu net op haar kwetsbaarst gezien. Ze hield nog altijd van hem.
‘Eén of andere jonge vrouw van kantoor,’ zei ze plotseling. ‘Pas 25 jaar oud, het zou z’n dochter kunnen zijn! Ze is drie maanden zwanger...’ Ze hield haar mond. De woorden klonken als echo’s in Johans gedachten. Een aantal minuten werd er niet gesproken. De klok tikte akelig hard.
‘Vuile klootzak!’ schreeuwde ze met alle venijn die ze had en haastte zich naar buiten. Johan zat stil en alleen in de woonkamer. Dit was de eerste keer sinds vijf jaar dat hij zijn moeder zo emotioneel en boos zag.

De uren verstreken, Johan maakte zich tegen zijn zin in klaar om naar bed te gaan. Hij wilde wachten totdat zijn moeder weer thuis zou komen, maar hij besefte ook dat hij morgenochtend zijn eerste examen had. Om één uur ‘s nachts lag hij nog altijd met ogen open in bed naar het plafond te staren. Nog steeds is ze niet thuis, dacht hij. Hoe kan hij haar dit aandoen? Hij is inderdaad een klootzak, ik hoef ‘m niet meer te zien. Drie maanden zwanger… ik krijg een broertje of zusje… ah shit… vuile trut. Ik wil ze niet zien, ze kunnen doodvallen.

Om half drie ’s nachts hoorde Johan zijn moeder niet meer thuiskomen, hij was in een donkere en onrustige slaap gevallen. Hij was op de bruiloft van zijn vader. Johan zag hem voor een altaar staan naast een vrouw in een sierlijke witte jurk. Haar gezicht was onduidelijk maar hij kon zien dat de bruid hoogzwanger was. Als je op dat moment naast Johans bed zou staan, zou je hem heel zacht de woorden ‘vuile trut’ kunnen horen mompelen. In de droom ging zijn vader plotseling steeds meer op zijn geschiedenisleraar, meneer Van Wegen, lijken. Hij kreeg ineens een bril en zijn hoofd werd kaler en dikker.
‘Nog tien minuten,’ hoorde hij Van Wegen zeggen. Johan keek op en was plotseling niet meer op de bruiloft maar in een grote zaal. Hij zat achter een klein tafeltje met een stapel papieren erop en een leeg antwoordvel. Links van hem zat Dennis, ijverig te schrijven. Er moesten minstens tweehonderd leerlingen in deze zaal zitten, bedacht Johan. Rechts van hem stond Thijs op met al zijn papieren en liep naar een lange tafel aan het einde van de zaal. Achter de tafel zaten vier leraren. Helemaal links zat meneer Van Wegen die nauwkeurig de klok in de gaten hield. Johan zag Thijs zijn papieren inleveren en de zaal uitlopen.
‘Nog vijf minuten,’ sprak de drammerige stem van Van Wegen.
Johan keek weer op zijn antwoordvel, nog steeds helemaal leeg. Hij moest hier weg en snel ook. Hij stond op en begon tussen de rijen door naar de uitgang te rennen. Als een echo hoorde hij Van Wegen tegen hem schreeuwen. ‘Niet rennen, ga zitten!’
Johan ging steeds sneller en sneller totdat hij plotseling struikelde en voorover viel. Hij kwam met zijn hoofd hard tegen de stoel van klasgenoot terecht.
‘Sta op!’ schreeuwde Van Wegen door de zaal heen. Johan zat verdwaasd op de grond met een flinke hoofdpijn. Wat liet hem zo struikelen? Toen zag hij ineens een uitgestoken voet bij een tafeltje waar hij langs was gerend. Hij keek naar het gezicht van degene die hem liet struikelen. Het was zijn vader. ‘Sta op!’ riep hij in koor met Van Wegen. Johan sloot zijn ogen en liet zich in elkaar zakken op de grond van de zaal. Alles werd zwart.
‘Sta op!’ hoorde hij helemaal achter in zijn hoofd.

‘Sta op, Johan, je moet zo naar school!’ Het was de stem van zijn moeder. Slaperig deed Johan zijn ogen open. ‘Je moet door de wekker zijn heen geslapen. Het is bijna acht uur, je hebt zo examen.’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten